Klik links op een letter om de accordion te openen en te sluiten.

A

Abalone – De nieuwjaarsknoop (van mizuhiki); ook wel Awabe genoemd.
Aki – Herfst
Ai – Blauw, zwartblauwe kleur
Amaterasu Omikami – Zonnegodin.
Een, in Japan, bekende legende verhaalt van de zonnegodin Amaterasu Omikami, die door Ikebana-liefhebbers graag als de oorsprong van deze kunst gezien wordt. Zij is de legendarische goddelijke oorsprong van de keizerlijke familie en het is deze godin die aan het Keizerlijk Huis het recht gaf om over land en volk te regeren voor alle tijden. De zonnegodin, zo luidt de legende, werd eens zo boos op haar jongere broer Susano-no-Mikoto die zich slecht gedroeg, dat zij zich in een grot terugtrok en de ingang hiervan met een grote rots versperde. Hierdoor werd de wereld in het donker gedompeld. De andere goden waren erg verontrust en raadpleegden elkaar over de vraag op welke wijze zij Amaterasu Omikami zouden kunnen verleiden weer tevoorschijn te komen.Een van de wijze goden stelde voor de Sakagiboom voor de ingang van de grot te plaatsen en deze met vele ornamenten als juwelen, spiegels en gekleurde linten te versieren. Daarna begonnen de goden begeleid door muziek te dansen. De zonnegodin werd nieuwsgierig toen ze de vrolijke muziek en het lachen van de goden hoorde, keek naar buiten en dee, toen ze de prachtig gedecoreerde boom zag, een stap naar voren. Op hetzelfde moment strekte de god van de kracht zijn arm uit, rolde de grote rots weg en trok Amaterasu Omikami uit de grot. Zo werd het licht hersteld op aarde. In de Ise-tempel, waar de geest van de zonnegodin vereerd wordt, vinden wij nog een gebruik dat herinnert aan de oudheid, toen de Japanners hun berggod in een grote boom belichaamd zagen: om de twintig jaar wordt de uit cederhout gebouwde Ise-tempel afgebroken en opnieuw, dicht bij de oude plaats, herbouwd. Midden op de open plek wordt de voor Shintoïsten heilige “Sakagi-boom” (Cleyera ochnacea) geplant. De Sakagi-boom wordt ook nu nog door de Shinto-gelovigen beschouwd als een heilige boom. Takken van deze boom worden gebruikt bij Shinto-ceremoniën en familie-altaartjes. Ook tegenwoordig nog worden de bomen gedecoreerd met kleine papieren lintjes die tijdens de Shinto-feesten bij de tempels worden opgehangen.Vele Japanners geloven dat de spiegel die zich thans in het keizerlijk paleis bevindt en de juwelen die zijn opgesloten in de Ise-tempel op het schiereiland Ise, inderdaad afkomstig zijn van de legendarische zonnegodin Amaterasu Omikami. Uit: Ikebana door Doris Diels.

Ashirai – Hulplijn of bijlijn
Awabe – Zie Abalone

B

Bana of ha – Bloem of plant
Basho – Haiku-dichter (Matsuo Basho 1644-1694)
Betsuden – Bijzondere lijnen in Shoka (b.v. Gedan Nagashi)
Bunjin-bana – Vorm van bloemschikken in de Edo-periode
Bunraku – Marionettentheater
Buson – Haiku-dichter (Taniguchi Buson 1715-1783)
Byobu – Kamerscherm

C

Cha-no-yu – Theeceremonie
Chado – De weg van de thee
Chigiri-E – Schilderstechniek op basis van gescheurd papier
Chochin – Vouwlampion voor buiten
Chokutai – Verticale vorm bij moribana en nageïre
Chuden – Middelbare opleiding (moderne shoka)
Chushu-Meigetsu – Kijk naar de maanfeest 15 september; wordt ook Jugoya genoemd = 15e nacht

D

De-fune – Vertrekkend schip, Shoka-variatie in hangende bamboevaas
Denka – De klassieke Shokaschikkingen
Desima- Kunstmatig eiland voor de Hollanders (1639)
Do – Hoofdlijn bij Rikka en Shoka, dient om volume te geven
Do- De weg
Doko – Tokonoma (zie aldaar)

E

Edo – Overheersing van de Tokugawa-clan vanuit Edo (Tokyo) 1603-1868
Enshu – Belangrijke Ikebana school die nu nog de klassieke Shoka onderricht

F

Fuji – Wisteria
Fuji San – Hoogste berg van Japan
Fukosa Katoku – Senior professor Ikebana 2e graad
Fune – Bamboevaas in bootvorm
Fusuma – Schuifwand van beschilderd of bedrukt papier
Futa-kabu-ike -Twee planten schikking (futa = twee kabu = planten
Fuyu – Winter

G

Gédan soë – Lage Soë; hiermee wordt de herfst aangeduid. Deze term wordt niet meer gebruikt
Geisha – Hoog opgeleide vrouwelijke entertainers, meesters in zang en dans
Gei = kunst, sha = persoon)
Gyakugatte – Linkerhandschikking
Gokajo – 5 Klassieke shokaschikkingen
Goku-shin – Uiterste Shin
Gyo – Semi-formele vorm bij shoka
Gyodo-ike – Weg der vissen, shokavariatie met waterplanten in twee groepen:
Mekabu = mannelijk deel en Okabu = vrouwelijk deel, deze termen worden niet meer gebruikt.
Gyo of shin – Shokavorm in de shin-stijl, waarbij de shin iets afbuigt
Gyo of gyo – Shokavorm in de gyostijl, waarbij de shin iets afbuigend is
Gyo of so – Shokavorm in de so-stijl waarbij de sterke bocht van de shin iets dieper is.
Ook gedeelde schikkingen vallen hieronder.

H

Ha-gumi – Opnieuw bundelen van 2 bladparen om een stengel (Iris, Narcis)
Haiku – Japanse dichtvorm opgebouwd uit 3 regels resp. 5-7-5 lettergrepen
Hakame – Wit vliesje van de narcis (zie Sharone)
Haku – Wit, kleur der Goden, puur onbezoedeld
Hamono – Bladschikking
Ha-omote – Bovenkant van de bladeren
Han – Rijst
Hana – Bloem of plant (bana is samentrekking als in Ikebana)
Hana-karuta – Bloemenkaarten
Hana-kubari – Gevorkt stokje, dat bij klassieke shokavazen en nageïrevazen in de vaasopening geklemd wordt.
Hana-no-kokoro – Bloemenhart
Hana shobu – Iris Kaempferi
Hana tsutsumi – Bloemenwikkel; een stuk papier of doek om bloemen zonder beschadiging te verplaatsen
Harakiri – Zelfmoord
Hariko – Voorwerp van papier maché
Haru – Lente
Hasami – Bloemenschaar
Hatsu-ike – Eerste schikking in het nieuwe jaar
Héian-periode – Keizerlijke residentie verplaatst naar Héian (Kyoto) 794-1192
Hideyoshi – Beroemd generaal uit de 16e eeuw
Higanbana – Herfst-equinox (18 september)
Hikae – Hoofdtak bij Rikka
Hina-matsuri – Meisjesdag of poppenfeest (3 maart)
Hi-no-maru – Cirkel van de zon (de rode cirkel in de Japanse vlag)
Hongatte – Rechterhandschikking
Hyottoko – Mannenmasker van papier-maché

I

Ichihatsu – Iris Tectorum
Ichi-monji – Bronzen vaas (streep)
Ichi-ju – Asymmetrische bamboevaas met één opening
Ichiyo school of ikebana – 1984 – ICHIYO NEDERLAND – 2014 Een school die nu al meer dan 30 jaar in Nederland gedoceerd wordt.
Iemoto – Titel van het hoofd van de Ikenoboschool (tempel Rokkakudo)
Iemoto Dojo – Leslokaal
Ikebana – Het tot leven brengen van bloemen
Ike – Vijver
Ikenobo – Tempel bij de vijver. Oudste school van bloemschikken
Ikenobo Kadokai – Ikenobo-leer van het bloemschikken
Ikeru – Schikken
In – Negatief, passief, vrouwelijk principe, schaduwkant in bloemschikking
Inkata – Schaduwkant
Iri-fune – Terugkerend schip, Shokavariatie in hangende bamboevaas
Ise-shrine – Heiligdom van Shinto
Isho – Ontwerp; design
Isho-bana – Shokaschikking met 3 materialen, designschikking
Issa – Haikudichter (1763-1827)
Isshu-ike – Eén-materiaalschikking
Ito-mari – Ballen van draad (voor dochter op meisjesdag)
Izutsu – Speciaal soort kubari

J

Jiyubana – Vrije schikking, aan geen stijl gebonden
Jiyuka – Vrije schikking, aan geen stijl gebonden
Joshi-maki – Verzamelde leer over ikebanavormen, vazen en hun juiste plaats in de omgeving
Jugoya – De nacht of maanfeest, 15 september
Junkakan – Leraar Ikebana 2e graad
Junkako – Leraar Ikebana 1e graad
Junkakyo – Leraar Ikebana 3e graad
Junkatoku – Senior Professor Ikebana 4e graad

K

Ka = Ha of Ba – Bloemen
Kaban – Onderste dai in de tokonoma, ook wel Kadai genoemd
Kabu – Wortel
Kabuki-theater – Populair stadstheater, ontstaan in de 17e eeuw
Kabu-wake – Gedeelde schikking
Kadensho – Het eerste Ikenobo-manuscript
Kado – Weg der bloemen, de kunst van het bloemschikken
Kaiden – Gevorderden opleiding (klassieke shoka)
Kakan – Assistent professor 2e graad
Kakemono – Hangschilderij
Kakin – Doek die gebruikt wordt tijdens het schikken voor het schoonvegen van de werkplek
Kakitsubata – Iris Laevigata
Kako – Assistent professor 1e graad
Kakyo – Assistent professor 3e graad
Kalligrafie – Kunst van het schoonschrijven van Chinese tekens
Kami – Shinto-goden
Kamiko – Kleding van papier
Kamiza – Inkata of schaduwkant, ook Kyakui
Kamiza-doko – Hongatte tokonoma (rechterhand tokonoma)
Kasho – Leraars assistenten opleiding
Katoku – Senior Professor Ikebana 3e graad
Keisho-bana – Landschappelijke schikking, met natuurlijke materialen. Zie Shizunteki hyõgen
Kenzan – Bloemprikker
Ki – Takkenmateriaal
Kidome – Bijlijn, bestaande uit houtmatriaal, naast maeoki in de rikka
Kiko-no-Sekko – Feest van de chrysanten; 9 september
Kiku – Chrysant
Kimono – Lang (soms kort) gewaad met wijde mouwen dat dichtgebonden wordt met een koord. Nationale dracht in Japan
Boom – Takkenmateriaal; ook Ki
Kin – Goud, kleur van het goddelijke
Kiri-tame – Het buigen van takken d.m.v. inkerven
Kisshi-maku – Draperie met kwast (3 mtr. breed en 1 mtr.hoog) in de tokonoma (mag gebruikt worden als men de graad Kakan heeft behaald)
Ko-haku – Ko = rood; haku = wit. Combinatie van rood en wit (Japanse vlag)
Koi-no-bori – Karperfiguren, meestal van katoen of papier
Kokoro no kayoi – Spirituele samenklank der harten
Komiwari – Bundeltje stro waarin rikka geschikt wordt (i.p.v. kenzan)
Koryu – Belangrijke school die nu nog de klassieke shoka onderricht
Koshi – Bocht in Shin en Soë (zoekt de zon)
Kubari – Stokje(s), die bij klassieke shoka-vazen en nageïrevazen in de vaasopening wordt (worden) geklemd
Kuge – Bloemenofferande op het Boeddhistische altaar
Kusa – Grassenmateriaal, ook Kusamono
Kusamono – Grassenmateriaal; ook kusa
Kusabidame – Wigje in een steel waardoor deze buigt
Kusadome – Bijlijn, bestaande uit grassenmateriaal, naast maeoki in de Rikka
Kusa Kyo – Schijn (of levend gras?)
Kusudama – Feestballon
Kyakui – Inkata of schaduwkant; ook Kamiza
Kyoto – Stad waar de Ikenobo-school ontstaan is en de Rokkakudo staat
Kyo – tanabatae – de grote jaarlijkse bijeenkomst in oktober met tentoonstelling in Kyoto

M

Mae – Voor. Ashirai in shoka die voor de hoofdlijn geplaatst wordt
Maeoki – Hoofdlijn bij Rikka. Staat vooraan
Maekake – Schort
Maezoe – Soë die voor de Shin is geplaatst en naar voren buigt
Maki-dai – Bijzondere vorm van houten plank; wordt gebruikt als onderzetter bij een klassieke schikking
Mame-maki – Bonenwerpfeest
Mangetsu – Vollemaanvaas
Maru-sambo – Klein houten tafeltje
Matagi – Dwarsstokje dat bij een schikking in een “kubari”de takken op z’n plaats houdt
Mawari-ike-ceremonie – Ceremonie voor beginners
Maze-ike – Een mix van materiaal
Meiji – Keizer van Japan in de jaren 1868-1920
Meru – Heilige berg, symbool in klassieke Rikkaschikkingen
Mikoshi – Hoofdlijn bij Rikka
Mimo – Denka (klassieke schikking)
Misho – Belangrijke school die nu nog de klassieke Shoka onderricht
Mitama-matsuri – Lampionfeest. De brandende lampions zijn de offers ter ere van alle Japanse doden
Mizuage – Behandeling van planten om de waterasorptie te verbeterenMizugiriHet afsnijden van planten onder water
Mizugiwa – Afstand boven de waterspiegel bij een Rikka- of Shokaschikking, en de punt van spreiding van de takken en bloemen naar de verschillende richtingen (ca. 8 cm.)
Mizugiwa datsu – Schoonheid van twee voorwerpen die in elkaar overvloeien (wateroppervlak met mizugiwa)
Mizuhiki – Gekleurd draad van papier, gebruikt om kaarten en cadeaus te versieren of dicht te maken
Moegi-iro – Blauwachtig groen of groenachtig blauw, een kleur die de overgang van lente naar zomer uitdrukt
Momo – Perzik
Moru – Samenbrengen
Moribana – Opgehoopte bloemen
Muko-Gake – Hangende stijl tegen achterwand Tokonoma

N

Nagashi – Hoofdlijn bij Rikka, de vloeiende lijn. Extra lijn bij Shoka
Nagaha-mono – Lancetvormige bladeren
Nageïre – Ingegooid, Ikebanastijl in een hoge vaas
Nanakusa – Zeven-grassen-schikking; wordt in de herfst gemaakt
Nara-periode – De Gouden eeuw van Japan (710-794)
Natsu – Zomer
Nejime – Tai die alleen uit bloemen bestaat (tenminste drie)
Nejiri-tame – Stelen buigen door te draaien
Nemoto – Onderste deel van de wortel
No-theater – Ridderlijke theater van de heersende klasse uit de 15e eeuw
Nihon-ike – Twee-groep schikking (Narcis)
Niju – Bamboevaas met twee openingen, ook Niju-giri
Niju-tachi-no-bori – Schikking in de Niju-giri waarbij het grootste deel in het onderste niveau is geschikt
Nisshu-ike – Twee materialenschikking bij Shoka
Noki-shin – Een Shin die een bocht maakt
Noshi – Onmisbaar symbool bij iedere ceremoniële verpakking
Nyomon – Inleidende opleiding (Moribana)

O

Obi – Ceintuur die bijdraagt aan de schoonheid en charme van de kimono
Obon – Dodenherdenking (13-15 juni)
O’cha – Thee
Ogencho – Klassieke Shokavaas uit brons of ijzer
Ogi – Ceremoniële waaier
Oha-mono – Groot, breed blad
Ohara – School opgericht door Unshin Ohara eind 19e eeuw
Ohashi – Eetstokjes
Ohina-Sama – Meisjesdag of poppenfestival (3 maart)
Okame – Vrouwenmasker van papier-maché
Omaki – Zie Sen-O-kuden
Omote – Voorkant blad (Aspidistra)
Oni-hari – Duivelsverjagingsfeest
Ono-no-Imoko – Boeddhistische priester, stichter van de Ikenoboschool
Origami – Japans vouwwerk (Ori = vouwen, Gami = papier)
Oshibori – Vochtige doekjes om handen en gezicht mee af te vegen
Oshi-tame – Het buigen van takken terwijl men duwt
Otera – Shinto-tempel

R

Rikka – Staande boeketten, klassieke stijl van bloemschikkunst
Rikka Shofutai – Traditionele Rikka
Rikka Shimputai – Moderne Rikka
Riku – Land
Rokkakudo – Oude tempel in Kyoto, centrum van de Ikenoboschool
Ryuseika – Belangrijke school die nu nog de klassieke shoka onderricht

S

Saga – Belangrijke school die nu nog de klassieke shoka onderricht
Sakagi – Cleyera ochnacea, heilige boom van de Shinto gelovigen
Sake- Rijstwijn, nationale drank
Sakura – Kersebloesem
Samurai – Feodale krijger
Sanbo – Offerdoosje
Sandan – Verzamelnaam voor Jodan, Gedan en Gudan (nagashi)
Sanshu-ike – Driematerialenschikking bij Shoka
Sashi-kuchi – Basiscompositie
Senba-zuru – Slinger van 1000 kraanvogels
Sendensho – Oudste document over de bloemschikkunst uit de 15e eeuw
Senei Ikenobo – Huidig hoofd van de Ikenoboschool
Senmu – Getrouw aan plicht. Ono-no-Imoko nam deze naam aan als priester
Sen-no-Rikyu – Beroemd thee-en bloemschikkunstmeester uit de 16e eeuw
Sen-o-kuden – Boekwerk over Rikka, samengesteld door Ikenobo Sen-O in de 16e eeuw; ook Omaki genoemd
Sensu – Opvouwbare waaier
Setsubun – Feest van seizoenwisseling (3 februari)
Setsu-Gake – Arrangement in koperen ronde vaas met ophanging aan 4 zijden
Setsugekka – Bronzen vaas “sneeuw-maan-bloem
Setsu-Getsu-Ka – Koperen vaas
Shaga – Iris Japonica
Shaku hachi – Bamboevaas in de vorm van een fluit
Sharone – Wit vliesje van de Narcis (zie ook Hakame)
Shatai – Hellende schikking
Shi-Chi-shudenka – Zeven speciale Shoka-schikkingen, ca. 500 jaar geleden door Ikenobo ontwikkeld
Shi-kaimi – Klassieke bronzen vaas
Shiki – Haiku-dichter (Masaoke Shiki 1867-1902)
Shiki-dai – Informele plank voor een schikking (soort boomstam of wolk; niet geschikt voor Shoka
Shi-kunshi – Vier Edelen
Shimenawa – Links gedraaid touw. Het heilige touw van het Shintoïsme
Shimoza-doko – Gyakugatte tokonoma (linkerhand)
Shin – Waarheid; hoofdlijntak bij Rikka, Shoka, Nageïre en Moribana
Shin of gyo – Shokavorm in de gyo-stijl, waarbij de shin iets afgerond is
Shin of shin – Shokavorm waarbij de shin recht is, Formeel, hoekig, zonder afkortingen (term komt uit de kalligrafie).
Shin of so – Shokavorm in de so-stijl, waarbij de shin een sterke bocht maakt, afrondingen en afkortingen. Ook gedeelde shokaschikkingen vallen hieronder
Shin-mae – Bijlijn van de Shin die vóór de shin staat
Shinputai – Nieuwe moderne vorm van Shoka
Shin-stijl – Formele vorm bij Shoka. Shin maakt vrijwel geen bocht
Shinto – Weg der goden; inheemse religie van Japan
Shin-ushiro – Bijlijn van de Shin, die achter de Shin staat
Shin-za – Korte lijn die in de plaats komt waar de eigenlijke Shin hoort te staan als deze een andere plek krijgt.
Shiran – Stichter van de Jodo Shishu sekte (na visioen)
Shishi-Guchi – Bamboe Leeuwenbekvaas met éé opening
Shiun – Klassieke bronzen vaas
Shizenteki hyõgen – Natuurlijke expressie; zie Keishobana
Shobu no hana – Japanse Iris (bloem voor jongensdag)
Sho-chiku-bai – Drie vrienden van de winter; traditionele schikking voor het nieuwe jaar, bestaande takken van de pruim, den en bamboe)
Shoden – Elementaire opleiding (Nageïre))
Shofutai – Traditionele basisvorm van Shoka)
Shogun – Militaire leider)
Shohin-rikka – Kleine Rikkaschikking)
Shoka – Levende bloemen; bloemschikstijl uit de 18e eeuw)
Shoka Betsuden – Zie Betsuden)
Shoka-maki – Leer over de essentie en ontwikkeling van de vroege Shoka)
Shoka Shinputai – Moderne Shoka bestaande uit 3 hoofdlijnen en 3 materialen; schikking bestaande uit tegenstellingen)
Shoka Shofutai – Traditionele Shoka; is een Kyo-Jitsu (schijnwerkelijkheid))
Shoka-Yokogate – Hangende Shoka-schikking aan de zijkant van de Tokonoma)
Shotoku Taishi – Kroonprins van Japan (572-621) Boeddhisme, bouwer van de zes-kantige tempel)
Shu – Het meest sprekende materiaal bij Shimputai; hoeft niet de hoogte te bepalen)
Shuinzan Chohoji – Offiële naam van de Rokkakudo-tempel)
Shusho – Natuurlijke groeiwijze van een plant)
Shusso-no-tei – Presentatie van oorsprong)
So-stijl – Informele vorm bij Shoka; Shin maakt een wijde bocht. De dubbele Shokaschikkingen vallen hier ook onder)
Soë – Afkomstig van het werkwoord “soeroe” = bijvoegen; Tweede hoofdlijn bij Rikka, Shoka, Nageïre en Moribana)
Soegi – Spalkjes om kleine stelen en takken vast te zetten)
Soë-mae – Soë-bijlijn die vóór de Soë staat)
Soë-ushiro – Soë-bijlijn die achter de Soë staat)
Soë-wake – Een apart geplaatste lange Soë in een dubbelstammige schikking)
Soë Uchi – Extra lijn bij de Soë in een Rikka)
Soë-za – Korte lijn die op de plaats van de eigenlijke Soë komt te staan als deze een andere plek krijgt)
Sogetsu – Moderne Ikebanaschool opgericht door Sofu Teshigahara in 1926)
Soka Hyakki – Honderd normen van het bloemschikken)
Sokakan – Professor Ikebana 2e graad)
Sokakyo – Professor Ikebana 3e graad)
Sokaku – Professor Ikebana 1e graad)
So Katoku – Senior professor Ikebana 1e graad)
Somusho – Administratie en supervisie van de Ikenobo “chapters”)
Somokushu – Verzamelde leer over plantaardig materiaal, in het bijzonder traditioneel ikebanamateriaal en hun schikking)
So of gyo – Shokavorm in de Gyo-stijl, waarbij de Shin iets meer afbuigend is)
So of shin – Shokavorm in de Shin-stijl, waarbij de Shin iets meer afbuigt)
So of so – Shokavorm in de So-stijl waarbij de sterke bocht van de Shin nog meer uitgediept is. Ook gedeelde Shoka-schikkingen vallen hieronder)
Sugata naoshi – Afrondende lijn bij Shoka; wordt niet meer gebruikt)
Sugu-shin – Vertikale Shin bij Rikka)
Sui – Water)
Suibachi – Smalle hangende plank voor een hangende schikking in een mandje)
Sui-mono – Waterplanten )
Suiriku-ike – Water- en landschikking; een Shokavariatie)
Suisen – Narcis )
Suitai – Hangende stijl in schikkingen)
Suizen-no-ma – Bamboe rolgordijn in de Tokonoma)
Sumi – Zwart, kleur van het mysterie)
Sumo – Japans worstelen, nationale sport)
Suna-mono – Zandschikking bij Rikka)
Suna-bachi – Klassieke bronzen vaas, gebruikt bij Rikka (zandbak)

T

Tai – Derde en kortste hoofdlijntak bij Shoka, Moribana en Nageïre
Tai-saki – Uitstekende punt van de Tai
Tai-shin – Tai-lijn die tot de helft van de Shin komt
Tai-tani – Dal; Tailijn die tussen Tai en Tai-saki staat in de Shoka
Tai-za – Korte lijn die op de plaats komt te staan van de eigenlijke Tai als deze een andere plek heeft gekregen
Take – Bamboe
Tako – Vlieger
Tanabata – Sterrenfeest; 7 juli
Tango-no-sekku – Jongensdag; 5 mei
Tatami – Rijststromatten die op de vloer van een typisch Japanse kamer liggen (184X92 cm)
Tatebana – Staande boeketten, altaarschikking
Ten-jin-chi – Hemel-mens-aarde (resp. soë-shin-tai) bij Shoka
Tokogame-E – Onderdeel van Tokonoma, dat gebruikt mag worden als men de graad Kakyo heeft behaald
Tokonoma – Nis in een Japanse kamer waar meestal een of twee kunstvoorwerpen en een bloemschikking opgesteld staan
Tokugawa – Naam van een van Japans meest beroemde families, die gedurende meer dan 250 jaar het land regeerden (1603-1867)
Tomari-fune – Houten boot arrangement, voorstellende een schip in de haven
Tsubaki – Camelia
Tsuina – Kwaaduitbanningsfeest. Meer dan 1000 jaar oud; einde winter-begin lente
Tsuki – Klassieke maanvormige vaas, meestal uit brons
Tsuribana – Hangende schikking
Tsuri-Tsuki – Hangende Maanschikking
Tsutsumi – Soort platte knoop waarmee huwelijkscadeaus worden dichtgeknoopt met Mizuhiki
Tsuyomono – Plantenmateriaal dat als water- zowel als landmateriaal gebruikt kan worden
Tzuru – Kraanvogel

U

Uchiwa – Ronde dichte waaier
Uke – Hoofdlijn bij Rikka
Ukezutsu – Hulpcontainer op draad, wordt gebruikt in de Rikka
Ukyo-E – Japanse prenten
Ume – Pruim
Ura – Achterkant blad (Aspidistra)
Urushi – Japans lakwerk
Ushiro – Achter
Ushiro Gakoi – Achterstelijn in de Rikka, wijst naar achteren
Usuban – Rode, bovenste Dai met logo van de Ikenoboschool (mag men gebruiken als men Junkakyo heeft)
Usubata – Klassieke bronzen vaas
Usuita – Plank; onderzetter voor een schikking

W

Wabi – Harmonie
Wagasa – Parasol
Wake – Gedeeld (van kabu-wake en soë-wake)
Washi – Japans papier

Y

Yakueda – Hoofdlijnen van een schikking
Yo – Positief, actief, mannelijk principe; in de bloemschikkunst het deel van de plant dat naar de zon gekeerd is.
Yo – Tweede lijn in Shoka Shinputai
Yoko-Gake – Hangende stijl tegen zijkant Tokonoma
Yo-kata – Zonkant van de schikking
Yukata – (=kimono die je aantrekt na het bad) Informele katoenen kimono
Yuzen – Het direct schilderen op zijde

Z

Zen – Is de Japanse variant van Ch’an, een vorm van boeddhisme.
Zundo – Klassieke rechte vaas uit bamboe of hout
Zuru-ashi -Kraanvogelvaas Bamboe
Return to Top ▲Return to Top ▲